Libelle`s op het Arboretum De Roodoog Libelle De Libelle
Vorig jaar (2008) liep ik in de aflopende zomer op het Arboretum, op de vele bloemen die er gebloeid en nog bloeide, waren velen insecten bezig met honing verzamelen, dit boeide mij totdat er plotseling een mooie Libelle, mijn aandacht trok boven de omringende singels.
Ik ben naar de waterkant toe gegaan en zag dat misschien wel een 40 A 50 tal Libellen aan het paren waren, het was er een gedans van je welste, ik heb er diverse foto`s van de vele parende Libelle`s kunnen maken. Op de bijgeplaatste foto kun je het lege chitine omhulsel (lege velletje) van een Libelle nog zien drijven, dit blijft over na het verpoppen van waternimf naar Libelle
Hierbij heb ik de soort opgezocht en een korte beschrijving geplaats
Kleine roodoogjuffers (Erythromma viridulum)
De meeste van de ongeveer 6.000 soorten, die tegenwoordig bekend zijn, leven in de tropen. Ze komen echter, met uitzondering van de poolgebieden, overal op aarde voor. Men treft ze in de nabijheid van water aan, maar ook op vlakten of in het struikgewas. Hier houden ze zich bezig met de jacht op insecten. Hun bonte kleuren veranderen steeds (changeant). Het lichaam is bij alle libellensoorten langgerekt en slank. Ze hebben vier grote vliezige (doorzichtige) vleugels.
Libellen kunnen onderverdeeld worden in echte libelles en waterjuffers. Bij de echte libellen staan de vleugels zijwaarts van het lichaam af. De voor- en achtervleugels zijn ongelijk gevormd, de achtervleugels zijn aan de basis verbreed. Echte libellen vangen hun prooi meestal tijdens de vlucht en verslinden deze dan vaak ook onmiddellijk.
Bij de waterjuffers liggen de vleugels bijna helemaal tegen het achterlijf aan. Deze insecten zijn langzamer. Ze fladderen wat heen en weer in de buurt van planten of ze wachten hier op vliegen en muggen.
Libellen maken een onvolledige ontwikkeling door (zonder verpoppingstadium). De paring vindt meestal in volle vlucht plaats. Waterjuffers zoals de beekjuffer plaatsen hun eitjes met hun legboor in plantenstelen die zich deels onder water en deels boven water bevinden. Bij de slanklibellen vliegt het mannetje tijdens het leggen van de eitjes mee, hij houdt het vrouwtje vast met de tang van zijn achterlijf.
Echte libellen leggen hun eitjes eveneens met behulp van een legboor in de stengels van planten, andere laten ze in het slik van beekjes achter. Soorten, die geen legboor of angel bezitten, laten hun onderlijf in het water zakken en geven daar dan één of meerdere eitjes af. De eitjes worden omgeven door een geleiachtige massa. Het gebeurt niet zelden dat een snoek alle eitjes direct op vreet.
Gedurende het larvenstadium (in totaal 10 vervellingen) in het water kunnen de larven ademhalen doordat ze water door de endeldarm pompen. Hierdoor wordt de zogenaamde tracheekieuw (darmkieuw) van zuurstof voorzien. De larven bewegen zich voort door op ritmische wijze het water weer naar buiten te stoten.
Enkele dagen voor ze uitkomen, kruipen de larven langs plantenstengels omhoog. Ze ademen niet meer in het water. De ademhalingsgaten worden boven de wateroppervlakte gebracht, het chitine omhulsel barst geleidelijk open en na de poten, die dienen om zich aan de planten vast te houden, komt ook het achterlijf te voorschijn.
De vleugels worden opengevouwen door de vleugeladeren met bloed vol te pompen. De libellen krijgt zijn steeds veranderde kleuren pas na enkele dagen.
J.W.J.
|  |